Een vlieg zigzagt loom voorbij. Ze landt op de vloer naast het bijzettafeltje waarop een glas met een bodempje van gesmolten ijsblokjes staat. Haar pootjes trillen even. Dan valt ze om.
‘Heb je dat gezien?’ vraagt Lena. Ze ligt languit in de zetel, wapperend met een waaier die ik voor haar gekocht heb op onze huwelijksreis.
De ventilator draait haperend rondjes. Er ligt een nat washandje op mijn voorhoofd. De bladeren van de yucca dansen traag heen en weer.
‘Ruim jij die op?’ Ze legt de waaier neer. Met beide handen heft ze haar haar boven haar hoofd en laat het dan vallen. ‘Wel?’ Ze gaat rechter zitten.
‘Straks,’ zeg ik uiteindelijk. De rolluiken klapperen zachtjes. Ik zet mijn handen naast me om me recht te duwen. Een vrachtwagen davert voorbij. Ik blijf zitten.
‘Ze stoort me. Doe ze weg.’ Haar stem is hees en diep.
De motor van de koelkast slaat aan. Moeizaam, het is een oud ding dat nog op mijn kot gestaan heeft. Voor ik Lena leerde kennen.
Ze neemt de waaier tussen duim en wijsvinger alsof het iets vies is. Met gestrekte arm houdt ze hem voor haar uit en laat hem daarna vallen. ‘Nu.’ De ventilator stokt en valt stil.
Ik neem het washandje van mijn voorhoofd en leg er voorzichtig de vlieg op. Met gebogen hoofd stap ik naar de voordeur. Ze klemt en ik moet hard trekken. Ik knipper in het felle licht. Ik hef mijn hoofd, recht mijn schouders. Druppels glijden van mijn voorhoofd langs mijn slapen. Van mijn nek over mijn onderrug. Ik leg het washandje met de vlieg op de dorpel. De voordeur laat ik open. Ik stap de zon in.