Haar vingers gleden over de knoopjes van haar pyjama. Ze opende het jasje, maar deed het niet uit. Het zachte katoen viel open. Het had dat elegante als bij het uiteen vallen van een theatergordijn. Ik bestudeerde Nina’s borsten. Mijn aardse leven was zo gek nog niet.
Ze zoende me, ik pakte haar vast. Haar handen liet ze over mijn rug glijden, zoals haar blinde vader de zijne over de pagina’s bewoog bij het lezen van een boek.
‘Wat heb je hier?’
Ik betreurde het dat haar vingers bleven steken. Er zaten twee knobbels iets boven het midden van mijn rug. Bij mijn vorige liefje had ik de ware toedracht gelukkig niet verteld. ‘Het zijn cystes.’ had ik toen gelogen. ‘Ik kan ze laten weghalen, maar ze doen geen pijn.’ De relatie hield geen stand.
‘Wat akelig, het lijken net knokkels.’ Nina klom van me af om ze beter de bestuderen. ‘Moet je daar niet mee naar de dokter?’
Ze zou nooit kunnen raden wat het werkelijk was. Het was geen ziekte, geen aangeboren afwijking, geen wildgroei van rugwervels. Had ik maar gezwegen, zoals ik dat bij Charlotte wel kon. Maar met dit geheim was het zoals met alles wat gedragen moet worden. Het ging steeds zwaarder wegen, naarmate ik er langer mee rondliep. Het werd te zwaar, ik kon niet meer.
Dus zei ik: ‘Daar zaten mijn vleugels.’
Nina schoot in de lach, maar verstilde toen ze mij zag huilen.
Mijn emoties kwamen er ongecontroleerd uit. Weg was al mijn zelfbeheersing. Spreken kon ik niet meer, alleen loeien.
Plots was zij het die schreeuwde. Een kras verscheen op haar been. Zij kon niet zien wat ik zag.
Ik herkende hem meteen. Het was Lucien. De veer waarmee hij in haar been stond te krassen kwam uit zijn eigen vleugels. Hij had hem afgebroken, niet te snel, niet te traag. Precies zoals hij dat na mijn veroordeling met al mijn vleugelpennen deed. Lucien trok er nog een streep mee, alsof het een balpen was, die hij wat op gang moest helpen. Daartussen, precies binnen die lijntjes, schreef hij haar sterfdatum. De datum lag nog akelig ver weg. Hij keek me bij dit alles indringend aan. Nina zag hem niet, natuurlijk niet. Lucien was te laf om zich aan haar te tonen. Hij trok me mee naar boven. Mijn levenloze lichaam bleef bij haar achter.
‘Waarom zo’n harde straf?’ Ik was niet in staat hem aan te kijken.
‘Je vergrijp was te groot, Gabriel, de straf is nog mild. Ze zal niet weten waar de datum naar verwijst. Jij mag haar halen, als het zover is.’