
Het was toen ik nog als verkoper voor de verpakkingsfabriek op pad was. Samen met een collega waren we in het noorden van het land. We hadden gereserveerd in een klein restaurantje, dat goed aangeschreven stond.
Toen we naar binnen liepen, groette de ober mij bijzonder enthousiast. ‘U bent toch…?’
‘De Koning. Ik had gereserveerd voor twee.’
‘Werkelijk? Ik dacht dat u iemand anders was. Komt u verder.’
De man ging ons voor naar een prima tafeltje. Voor de twee koffie die we besteld hadden, gearriveerd waren, stond er opeens een vrouw naast ons. Misschien dertig jaar, knap, goed gekleed en met een gekleurd sjaaltje die haar een artistieke uitstraling gaf.
‘Sorry dat ik u zo aanspreek, maar u bent toch Stefan Zomers?’
Ze keek mij aan. ‘Nee, nee, zeker niet,’ zei ik. ‘Bram de Koning.’
Haar ogen dichtknijpend, zei ze: ‘Echt niet?’
Anton, mijn collega, zei: ‘Hij wil liever niet herkend worden.’
Wat doe je, gebaarde ik naar Anton.
‘Oh,’ zei ze en ging zitten. Ze deed haar sjaaltje af en boog samenzweerderig naar me toe. Haar borsten werden omhoog gedrukt waardoor haar al weldadige decolleté nog meer in het oog sprong.
‘Lena Vermeer. Ik ben echt een enorme fan van uw boeken.’
‘Ach ja,’ zei ik lachend. ‘Het zijn ook erg goede boeken, dat moet ik toegeven.’
‘Ik ben in uw laatste bezig, Wat hij wil, en het is prachtig! De psychologie tussen de drie hoofdpersonen. En die metaforen, hoe verzint u die?’
‘Tja, geheim van de smid, hè!’
‘Wat is uw eigen favoriet eigenlijk?’
Ze keek me verwachtingsvol aan. Anton keek me ook aan. ‘Ja, vertel het ons.’
‘Nou, eh…’ stamelde ik, ‘het is een beetje moeilijk kiezen.’
‘Zou u misschien,’ zei Lena en pakte een boek uit haar tas, ‘mijn exemplaar willen signeren?’
‘Ach, ik heb toevallig geen pen bij me.’
‘Ik heb er wel een,’ zei Anton.
‘Dankjewel,’ zei ik en accepteerde de pen.
Ik nam het boek aan en sloeg het open. Wat schreef je normaal in zo’n boek? Kon ik een soort kwinkslag bedenken met een metafoor? Of deed je dat niet? Uiteindelijk schreef ik alleen de naam op, waarbij ik de S en de Z in elkaar door liet lopen.
Op dat moment kwam de koffie.
Lena straalde helemaal. ‘Dankuwel.’
‘Nog een drankje voor mevrouw?’ zei Anton. ‘Ik moet even…’ zei ik en ging naar het toilet.
Toen ik terugkwam aan tafel, stond er een gezette man in driedelig pak bij ons.
‘Meneer Zomers!’ riep hij uit. ‘Zo goed u weer te ontmoeten! Ik was drie jaar geleden te gast bij een lezing die u gaf in Vlissingen. Zeer erudiet, mag ik wel zeggen!’
Ik lachte voorzichtig. ‘Straks ga ik nog blozen.’
‘Dit is meneer Bolsius,’ zei Lena. ‘Hij heeft een advocatenkantoor hier om de hoek.’
‘Groot bewonderaar van uw werk, meneer Zomers!’
‘Achteraf hebben we nog een levendige discussie gevoerd over Reve. Dat weet u toch nog wel?’
Ik kon niets anders dan knikken. ‘Ja, het komt weer terug.’
‘Heeft u dat verhaal van Reve, dat ik u aanraadde, inmiddels gelezen?’
‘Zeker,’ zei Anton. ‘Jaren geleden al. Wat vond je daar ook alweer van?’
‘Hm? Oh ja, wat mijn goede vriend zegt,’ (ik sprak goede met nadruk uit), ‘die heb ik inderdaad gelezen. Ik vond het goed. Ik ben het helemaal eens met wat u zei.’
De advocaat fronste. ‘Oh? Kunt u wat uitweiden? Wat vond u er zo goed aan?’
Ik kreeg het warm. Mijn gedachten gingen terug naar mijn middelbare schooltijd, naar de leeslijst. Daar had ik ‘De vierde man’ voor gelezen. ‘De stijl. Het achteloze, maar met die typische geestigheden tussendoor.’
De advocaat keek mij onderzoekend aan. ‘Ik dacht dat u Reve overschat vond.’
‘Overschat? Welnee. Toen misschien, maar nee. Een zeer goed schrijver. Ik heb inmiddels meer van hem gelezen.’
‘Wat gek. In uw laatste column zegt u toch heel andere dingen.’
‘Ach ja. Er zit een verschil tussen mijn publieke personage en wie ik echt ben.’
‘Is dat uw mobiele telefoon?’
Ik keek naar de iPhone die naast mijn koffiekopje lag. ‘Ja.’
‘Ik dacht dat u moderne technologie verafschuwde en zelf geen mobiele telefoon had.’
‘Tja, de uitgeverij heeft mij er een gegeven. Om een beetje in contact te blijven, hè.’
Lena begon wat op haar stoel heen en weer te schuiven. De advocaat schudde zijn hoofd. ‘Ik moet zeggen, ik had gedacht dat uw opvattingen en uw leven wat meer met elkaar in overeenstemming zouden zijn.’
Ik keek Anton aan. Die grijnsde. Terwijl ik bedacht hoe ik dit het beste kon beantwoorden, maakte de telefoon van Lena geluid.
Ze pakte hem op. ‘Hé,’ riep ze. ‘Stefan Zomers gespot in zijn geboorteplaats.’
Ze hield mij de telefoon voor, waar Instagram op te zien was. Tegen de advocaat zei ze: ‘Ziet u? Hier staat het.’
De advocaat deed zijn bril af en keek naar het scherm. ‘Wanneer is dit gepost?’
Lena wees de datum en tijd aan.
De man naar de foto, naar mij, en weer terug.
Hij deed zijn bril weer op en schraapte zijn keel. ‘Mijn excuses, meneer Zomers, als ik heb doen voorkomen dat ik u niet geloofde. U hebt natuurlijk alle recht om te doen en laten wat u wilt. Het was in elk geval prettig u gesproken te hebben.’
Hij stond op en groette ons. ‘Eet u straks smakelijk.’
Anton, Lena en ik keken elkaar aan. ‘Eet je mee?’ vroeg Anton aan Lena.
Ze leek te twijfelen, maar zei toen: ‘Graag. U bent nu toch al herkend door iedereen.’
Een erg leuk idee!
Wat heerlijk om Bram de Koning dat over de werken van Stefan Zomers te laten zeggen. Luchtig en humoristisch, tongue in cheek. 🔥 ZGG · Zeer graag gelezen