
De eerste ochtend dat Anna haar eigen mens kreeg, stond Pieter al bij haar voerplaats.
Om zijn hals zat een smalle leren band met een koperen plaatje.
Anna kwam uit de nachtstal.
‘Is dat hem?’ vroeg ze.
Haar moeder keek op van haar voer.
‘Dat is hem.’
Pieter draaide zich om.
‘Goedemorgen, Anna.’
Anna liep naar haar voerbak. Gras, brokken en een pluk hooi.
Ze begon te eten. Pieter wachtte. Toen ze klaar was, pakte hij de borstel. Anna keek over haar schouder naar hem terwijl hij haar vacht borstelde.
‘Je bent voorzichtig.’
~
Haar moeder had gezegd dat ze een ervaren mens had gekregen. Pieter had al eerder bij andere koeien gewoond en wist hoe het hoorde. Hij maakte Anna’s strobed op, hield haar voerplaats schoon en verzorgde haar vacht waar ze zelf niet bij kon.
‘Je hebt het getroffen,’ zei haar moeder.
Anna knikte.
~
Op een zaterdag trof Anna Pieter bij de poetsplaats. De deur naar het weiland stond open. Hij stond met zijn handen in zijn zakken naar buiten te kijken naar het land achter de stal, waar de buren met hun koppen laag boven het gras stonden.
‘Je kunt best even naar buiten,’ zei Anna.
Pieter keek haar aan.
‘Mag dat?’
‘Natuurlijk.’
Hij liep het gras in. Anna bleef bij de deur staan. Pieter ging naar de appelboom. Hij bukte zich en streek met zijn hand over het gras. Daarna ging hij zitten. Na een tijdje kwam hij terug.
‘Was het lekker?’ vroeg Anna.
‘Heerlijk.’
~
De volgende zaterdag werkte Pieter de hele ochtend. Na de lunch ging Anna bij de opening van de stal staan. Ze zag Pieter op blote voeten naar buiten lopen. Hij ging weer onder de appelboom zitten. Anna keek een tijdje naar hem en liep toen naar buiten.
‘Waarom zit je hier?’
Pieter opende zijn ogen.
‘Het is rustig.’
Anna keek achterom naar zijn schoenen bij de staldeur.
‘Mocht je bij de vorige ook naar buiten?’
Pieter knikte.
‘Op zondag.’
‘Iedere zondag?’
‘Als het mooi weer was.’
Anna dacht aan de zondagen hier.
‘Waarom ben je dan weggegaan?’
Pieter keek naar de takken boven zich.
‘Ik ben niet weggegaan.’
‘Maar je woont nu hier.’
‘Ook koeien gaan dood.’
‘Mis je haar?’
‘Soms.’
~
Die zondag stond Anna vroeg op. Pieter was al druk bij de voerplaats.
‘Vanmiddag hoef je niets te doen,’ zei ze.
Hij keek op.
‘Niet?’
‘Nee.’
‘Waarom?’
‘Omdat het zondag is.’
Na het middageten trok Pieter zijn schoenen uit.
Anna keek naar de halsband.
‘Die hoeft niet.’
Hij raakte het koperen plaatje aan.
‘Weet je dat zeker?’
‘Ja.’
Hij deed de band af en hing hem aan een haak.
‘Hoelang blijf je?’
‘Weet ik niet.’
Hij liep het gras in.
Na een paar meter draaide hij zich om.
‘Dank je.’
Anna zwaaide.
~
Anna ging terug naar de stal. Ze ververste haar strobed en ruimde ook de rest van de stal op.
Pas tegen zes uur hoorde ze de achterdeur. Pieter kwam binnen. Zijn broek zat onder het gras. Zijn voeten lieten kleine natte afdrukken achter.
‘Waar was je?’
‘Hier en daar.’
Hij keek om zich heen.
Je hebt opgeruimd.’
Anna knikte.
‘Dat hoef je niet te doen,’ zei hij.
‘Ik wilde het.’
Hij keek naar de haak waar hij de halsband had opgehangen. Die was leeg.
Buiten stond de appelboom in het laatste licht.
In al zijn absurdheid kan het leven best simpel zijn. 🧡 GG · Graag gelezen