Hij wist het zeker. De wanden waren dichter op hem afgekomen.
Jorge raakte met de toppen van zijn vingers de metalen rand van zijn isolatiecel aan. De wand met de deur was gloeiend heet. Geschrokken trok hij zijn vingers terug.
Boven was nog open. De hemel was staalblauw; een uitnodiging om omhoog te zwemmen. Soms kon dat bijna als het hard had geregend.
Maar nu druppelde er slechts zweet over zijn hele lichaam.
Hoe lang was het geleden dat hij T. Coppo had beledigd? Tenminste, dat was de bewering die hij hoorde toen hij een eindigheid geleden hierheen werd gesleept. Of was het Copperino? Zijn brein werkte steeds minder goed. Bestond T. Coppo wel? Bestond hij zelf eigenlijk wel?
In de hoop het universum te beïnvloeden reikte Jorge hoog boven hem en opende zijn mond. Er kwam geen antwoord. Regen bleef uit. De dorst trok barsten in zijn tong.
Zijn enige God; het luikje waar sporadisch eten door naar binnen werd geschoven, bleef ook stil. Het enige tastbare was de hitte. De hitte en die wanden, die duidelijk dichterbij waren gekomen.
Opeens deinsde hij naar achteren. Hij klapte met zijn rug tegen het staal achter hem. Geschrokken sprong hij om.
Hij wist het zeker. Het was nachten en nachten geleden dat hij in het maanlicht had gemeten dat de wanden vijftienhonderd vingerstapjes van elkaar lagen. Was dat nu anders? Jorge wist niet zeker of hij dat wel uit wilde proberen.
Hij trok aan zijn lange baard. De pijn haalde hem niet weg van deze gedachten. Als het nog steeds vijftienhonderd stapjes waren, dan haalde hij het in zijn hoofd en was hij gek aan het worden. Als het er minder waren, dan was hij níet gek. Hij wist niet wat enger was.
De lucht brandde in zijn keel, maar hij kon nergens schuilen. Soms gaf het luik hem extra water. Hij was dan dankbaar. Hij haatte zichzelf daarom, want het luikje was onderdeel van het systeem dat hem van Maria vandaan hield, en van kleine Gueppe.
Hij had niet genoeg vloeistof om te huilen. Zijn lichaam schokte. Uit zijn mond kwam een klagend geluid dat nauwelijks nog menselijk klonk.
In een poging die interne druk te ontsnappen wierp hij zich op de knieën. Hij zette zijn wijsvinger tegen het hete staal onder het luikje. Zijn middelvinger zette een stap.
Eén.
Kleine Gueppe zou nu misschien al een jaar ouder zijn, of misschien wel veel meer. Hoe zou zijn gezichtje zijn? Zou jij nog steeds van buikblazen houden of heeft hij een nieuw spelletje? Een nieuw spelletje zonder papa.
Dichter en dichter bij de overkant werd het angstvallig duidelijk dat hij de vijftienhonderd niet ging halen.
Was het ooit wel vijftienhonderd geweest? Waren het zijn eigen hersenen waar hoge torens die ooit naar de hemel reikten met luid geraas instortten? Het vallen van stenen, het opwaaien van stof. Een draadje kwijl drupte uit zijn droge mond. Waar kwam dat vandaan?
Hij keek naar de hemel. Waren Maria en Gueppe daar?
Vijfhonderd.