
Om zeven uur nam ik de briefjes van de haak onder aan de trap. Er lagen er twee. Deprez schrijft naar links en drukt hard door, je voelt het aan de achterkant van het papier.
De derde trede is hersteld. De nieuwe steen ligt een halve centimeter hoger dan de rest.
Wesley kwam om tien over en trok zijn jas uit terwijl hij al binnen was. Hij deed zijn mond open. Ik stak mijn hand op en ging voor naar buiten.
"De kar staat nog in de gang," zei ik op de stoep.
"Het regent."
"De kar staat nog in de gang."
Hij haalde de kar. Ik hield de deur open met mijn voet.
Het oog was al aan het lopen. Dat begint tegen het licht en het gaat traag tot een uur of tien en dan sneller. Er staat een emmertje onder maar het spat. De vlek links van de nis zit in de steen. Ik doe het oog met een doek van boven naar beneden en dan het lid en dan de leiding tot aan de knik. Het is warm, warmer dan je hand. Je moet het lid vasthouden. Het knijpt niet. De doek wring je uit boven de gootsteen achter de trap en niet in de emmer, want wat eruit komt, is draderig en dat blijft aan het plastic hangen.
Wesley deed de vloer. Hij trok de dweil rond de tafel in plaats van eronder.
Ik ging naar buiten.
Hij kwam achter mij aan.
"Onder de tafel ook," zei ik.
"Ik kom er niet bij."
"Je tilt ze op."
"Hoe."
"Aan de polsen."
We gingen weer binnen, hij deed het en liet de polsen weer zakken en veegde zijn handen aan zijn broek af, twee keer, en toen ging hij verder. Ze zijn warm aan de binnenkant van de polsen. Aan de middelvinger van de linkse zit een ring die er niet af gaat.
De vaas doe ik op vrijdag. Daar heb je een lepel voor.
De camion kwam om half tien en reed achteruit tot tegen de deur. Vijf emmers. Voor de deur.
Ik zette de emmers op de weegschaal, een voor een, en schreef de cijfers op het briefje. Twee komma acht. Twee komma zes. Twee komma vijf. Twee komma vier. Twee komma vier. Ik telde op. Ik telde nog een keer op.
Ik ging naar buiten met het briefje.
Wesley kwam mee. Hij stak een sigaret op en gaf mij vuur zonder te vragen.
"Twaalf zeven," zei ik.
"Is dat veel?"
"Dat is twaalf zeven."
Hij keek naar de camion die al weg was.
"En hoeveel moet het zijn?"
"Veertien."
Hij liet het even. Toen zei hij dat het misschien vrijdag was, dat ze op vrijdag altijd snel willen zijn.
"Het is donderdag," zei ik.
"Heb jij kinderen?"
Ik zei dat de steen op de derde trede van vorig jaar was.
Binnen was het oog sneller gaan lopen. Ik deed het opnieuw en het emmertje was al halfvol. Om kwart over tien ligt de leiding bij de nis strak tegen de plint. De bocht bij de vaas wordt scherper en de plint krijgt daar streepjes.
Om vijf voor elf reed ik de kar naar het gat.
Je knielt aan de kant van de trap, niet aan de andere kant, want aan de andere kant sta je in de bocht van de leiding en die schuift. Je kantelt de emmer op de rand en laat hem zakken en je houdt hem vast tot hij leeg is. Je kijkt niet naar beneden.
Wesley stond met de tweede emmer klaar zonder dat ik het moest zeggen.
Twaalf zeven ging erin en het was voorbij om drie na elf.
Om twintig na elf begon het oog opnieuw. Dat doet het anders niet meer voor de middag.
Het liep verder. Ik hield de doek erop en het liep door de doek en langs mijn pols in mijn mouw. Wesley stond in de deur van de gang met de kar.
"Waarom loopt dat nu weer," zei hij.
Hij zei het binnen.
Ik hield de doek op het lid en telde tot vijftig.
Toen ik omkeek was hij aan het dweilen bij de trap.
Om twaalf uur aten we op de stoep. Hij had brood mee van thuis en at het uit het papier en vroeg of het hier altijd zo koud was in de gang. Ik zei dat het aan de vloer lag.
's Middags kwam er een briefje naar beneden op de haak. Het rooster voor volgende week. Mijn naam stond er zes keer op.
Ik moest plassen en de wc is boven en ik ben al vier jaar niet meer boven geweest. Ik deed het in het gat. Deprez heeft daar nooit iets over geschreven.
De volgende morgen lag er één briefje.
De nieuwe steen op de derde trede lag los. Onder de plint bij de nis lag gruis, een handvol, fijn als suiker.
Het oog was droog. Ik ging er met de doek overheen en bleef plakken.
De camion kwam niet.
Ik wachtte tot half elf en ging toen naar de overkant om te bellen.
"Er staat hier niets," zei ik.
"Het staat als geleverd."
In de koeling achter de trap stonden drie emmers. Ik zette ze op de weegschaal.
Vier komma zes. Vier komma acht. Vier komma acht.
Ik woog ze nog een keer, elk apart, en schreef de cijfers op en telde alles op, en het stond er.
Wesleys jas hing niet aan de haak. Ik ben niet naar buiten gegaan om iets te zeggen.
Het wegen had geduurd en ik was aan het gat om vier na elf. De leiding schoof toen ik de eerste emmer kantelde. Ze kwam tegen de kar en de kar draaide en ik ging door mijn knie en greep met mijn hand de rand van het gat, de binnenkant, en die is lauw. Ik heb daar even zo gelegen. Toen raapte ik de emmer op en goot verder.
Bij de tweede moest ik hem twee keer herpakken, mijn schouder is niet goed sinds de winter.
Van de derde deed ik tweehonderd gram af en zette het in de koeling.
Om kwart over elf begon het oog weer te lopen.
De dag daarna stond er een naam op het briefje die ik niet kende. Ze kwam om tien over en trok haar jas uit terwijl ze al binnen was. Ze had kauwgom. Ze bleef staan bij de tafel en keek naar de handen en toen naar mij, en ze deed haar mond open.
Ik stak mijn hand op.
Ze keek naar mijn hand, stapte erlangs alsof die er niet was, en liep de trap op.