
Geen zuchtje wind, dat is fijn bij het fietsen, maar de zon brandt genadeloos. De vogels zwijgen, het is bijna onnatuurlijk stil. Gelukkig is de tocht kort. Vroeger fietsten we de halve Veluwe over, nu alleen nog een half uurtje naar onze vaste pleisterplaats – Café de Bosgeest.
Henk werpt een misprijzende blik op mijn fiets. ‘Zet dat ouwe kreng maar liever een beetje uit het zicht. Dat je daar nog steeds op rijdt zeg. Dat het ding überhaupt nog rijdt!’
‘Het is mijn trouwe stalen ros, een beetje respect graag. Ik ben de ridder, en dit is mijn paard.’ Ik bind mijn paard aan het fietsenrek en we kiezen een tafeltje aan de rand van het terras. Nog net in de schaduw van een boom, met uitzicht over de weidse grasvlakte die een paar jaar geleden nog heide was.
‘Toch vind ik het nog steeds mooi, ook zonder heide,’ zegt Henk.
‘Wat maakt het uit, je gaat zometeen toch in een boek zitten lezen.’
‘Klopt!’ Henk haalt zijn boek alvast uit zijn rugzak, voor straks wanneer we uitgepraat zijn maar nog lang niet terug willen fietsen.
De ober komt onze bestelling opnemen. Hij kent ons al jaren, dus kijkt niet raar op. ‘Twee grote glazen bier en een zwarte koffie graag. De koffie is voor Gerrit.’ De ober knikt en verdwijnt.
‘Hoe houdt die man het uit in die hitte, in zijn nette oberpakje! Ik krijg het al warm als ik er naar kijk.’
‘Dat is geen ober, Henk, dat is een pinguïn. En het is niet heet, anders zou er hier ook geen pinguïn zijn. Het is koel. Je beeldt je die warmte maar in, allemaal aanstellerij. Probeer die pinguïn te zien, dan valt het reuze mee.’
De pinguïn brengt ons ieder een groot glas bier en zet de koffie op tafel. ‘Voor Gerrit,’ zegt hij erbij, ‘al weet ik niet precies wat hij er nog aan heeft.’
‘De geur van de koffie stijgt op, als koffieboontjes met vleugeltjes. Of als koffiesijsjes - ja koffiesijsjes, dat zijn het. En die brengen de koffiegeur naar de hemel, en daar kan Gerrit er dan van genieten.’
Henk knikt plechtig. De pinguïn kijkt begrijpend en verdwijnt weer.
Henk heft zijn glas. ‘Proost, maat!’
‘Proost, en op Gerrit!’
We drinken een tijdje zwijgend ons bier, en Henk pakt zijn boek. Ik probeer de stilte nog wat uit te stellen. ‘Het is wel echt kurkdroog, he? Begin augustus en alles wordt al geel, de eiken, de lariksen - alles.’
‘Wen er maar aan. Dit is een venster op de toekomst: binnenkort gaat het voorjaar direct over in de herfst.’ Henk zegt het zonder uit zijn boek op te kijken. Waar het boek op zijn buik rust ontstaat een natte plek.
‘Een beetje water zou ook wel goed zijn voor de natuur, anders krijg je nog gelijk.’
Henk legt zijn boek open op het veld. ‘Dit boek is een tranendal. Ik lees het niet verder, maar het kan mooi de natuur helpen met al die tranen.’ Het water vloeit gestaag over het dorre gras terwijl we aan ons tweede biertje beginnen.
‘Wat zit het hier heerlijk zeg. En zo stil! Als je zo voor je uitkijkt is het net of er geen terras is, geen café – alleen maar natuur.’
Henk kijkt verbaasd over zijn schouder. ‘Welk café?’