Het duurt anderhalf uur voordat de vrolijke piano diep genoeg mijn slaap doordringt en me op fluwelen handen de dag in draagt. De realisatie dat ik anderhalf uur later dan gepland op het vliegveld aankom slaat vervolgens als een plens koud water in mijn gezicht.
Shit. Shit. Shit.
Ik sla de deken van me af en ren naar zolder om mijn koffer te pakken.
'Waarom ben ik zo? Wáárom?'
De woorden puf ik eruit op het ritme van mijn stampende voeten terug naar beneden.
Ik gooi hem open op bed, trek mijn pyjama uit en laat die erin vallen. Nee, wacht, ik moet een schone mee. En tien onderbroeken zijn genoeg voor vier dagen, toch?
Mijn hoofd voelt nog wollig van de nacht.
'Kom op, dit heb je eerder gedaan,' spreek ik mezelf bemoedigend toe, hopend dat ik ermee het spiergeheugen aanboor van een eerder inpakmoment.
Ik hou mijn handen als een soort wichelroede voor de kledingkast maar ze wijzen me de weg niet.
'Als ik wakker word dan trek ik eerst ...'
Ik pak twee BH's. Eén trek ik aan, de ander gooi ik in de koffer. Zie je wel, dit komt helemaal goed.
'Daarna ...'
De hele stapel shirts mag mee, hoef ik nu tenminste niet te kiezen. Ik vind nog sokken, een extra broek, onderbroek met open ... ach, waarom ook niet?
Terwijl ik mijn tanden poets graai ik in het doucherek. Shampoo, douchegel, scheermes, check check check. Het lege flesje bier laat ik maar staan. Zonnebrand? Sure. Wie weet breekt de zon nog door.
Al kofferdichtritsend, broekophijsend en arminmouwstekend stommel ik naar beneden. Ik kijk op de klok. Amper vijf minuten zijn gepasseerd. Ik heb het gehaald. De spullen zijn mee. Er is vast geen rij bij de check-in en ik haal ongetwijfeld mijn vlucht.
Ik stap de auto in.
Cue een over-the-shoulder shot waarbij de camera blijft staan als ik wegrij. Het beeld zakt door de achterruit, draait naar mijn huis en stijgt op naar de eerste verdieping. Dan vliegt het door de kier van mijn badkamerraam en landt het op de wasbak. En daar, eenzaam in een plastic beker, de tandenborstel die de vlucht mist.