Omdat ik net klaar was met rukken en Suzie nog bijlange niet terug was van de bakker, trok ik het laatje van haar nachtkastje open. Ik had de papieren zakdoek in mijn vuist en geen mand om die in te gooien, dus ik zocht een vuilbakje. In het laatje lag een lippenbalsem zonder dop, een blister paracetamol waar al de helft uit was, en een envelop.
Er zat een postzegel op en hij was geadresseerd. Aan Suzie, haar naam, dit adres. Geen poststempel. Ik nam de brief uit de envelop. Hij was gevouwen in drieën en weer opengevouwen, je kon de plooien zien. Ik vouwde hem open met de hand waar de zakdoek niet in zat.
Ik weet dat je weer iemand zult hebben. Je hebt altijd weer iemand. En wie het ook is, ik zal hem vinden en ik zal hem doodmaken. Verderop stond nog: Ik heb tijd zat. Ik wacht tot je hem buiten zet 's morgens. Dan pas. En onderaan, kleiner: Ik wil je gezicht zien als je het hoort.
Mijn handen waren koud geworden. Ik voelde mijn maag zakken zoals in een lift en ik moest slikken en dat ging niet goed. Ik las het stuk over de ochtend nog een keer. De brief was nooit gepost. Hij lag hier, in haar laatje, naast haar bed.
Ik hoorde de voordeur.
Ik trok mijn broek aan, propte de brief in mijn linkerbroekzak, de zakdoek in mijn rechter en ging de trap af. Suzie stond in de keuken met een papieren zak. Ze zette koffie. Ik liep langs haar naar de living en deed de gordijnen dicht, eerst die aan de straatkant, dan die aan de tuin. Het werd schemerig in de kamer. Ik bleef met mijn rug naar het raam staan.
"Wat doe je?" vroeg Suzie.
"Niks." Ik haalde de brief uit mijn zak en streek hem open op tafel. Mijn vingers lieten een vetvlek op het papier. "Wat is dat?"
Ze kwam kijken. Ze veegde haar handen af aan haar jurk, boog over de tafel en las, en ze las traag, en ik wachtte tot ze zou zeggen dat het niks was, dat hij gek was, dat hij in Spanje zat of dood was of allebei.
"Dat is van Rik," zei ze.
"En?"
Ze ging rechtop staan. Ze keek naar de gordijnen die ik had dichtgedaan en er kwam iets in haar gezicht. Ze pakte de brief op en hield hem bij de bovenrand, met twee vingers.
"Hij meent dat," zei ze. "Rik meent alles."
"Wat moet ik daarmee?"
Ze gaf geen antwoord op wat ik vroeg. "Hij weet niet dat jij hier bent," zei ze. "Nog niet." Ze legde de brief terug op tafel, recht, met de tekst naar boven, alsof hij daar hoorde te liggen.
Ik ging zitten. Mijn benen wilden dat. Suzie schonk twee koffies in en zette er een voor mij en ze ging op de andere stoel zitten, dicht, met haar knie tegen mijn been.
"Hij staat soms aan de overkant," zei ze. Ze zei het zacht. "'s Avonds. Bij de boom. Ik zie zijn sigaret."
Ik wilde opstaan om door een kier te kijken en ze hield me tegen met haar hand op mijn dij. Ze drukte hem omlaag.
"Niet kijken," zei ze. "Als je kijkt, weet hij dat je het weet." Ze wreef met haar hand hoger.
Er gebeurde iets waar ik niks aan kon doen en ik schoof mijn stoel achteruit om van haar hand af te zijn. Ze liet niet los. Ze keek omlaag en weer omhoog en er kwam een klein lachje.
"Ah," zei ze. "Zo zit dat."
"Het zit niet zo," zei ik. Ik wilde dat ze opstond. Ik wilde dat ze de brief wegdeed en zei dat Rik in de gevangenis zat. Niks van dat. Ze ging schrijlings op me zitten, op de keukenstoel, en het hout kraakte en ze nam mijn gezicht in haar twee handen en draaide het naar het raam, naar de dichte gordijnen.
"Hij staat daar nu misschien," zei ze tegen mijn oor. "Wil je dat ik open doe? Dat hij ziet wie je bent?"
Ik zei nee en ik duwde haar bij haar heupen een eind van me af, en ze liet zich duwen tot net zover en niet verder, en toen wachtte ze, met haar gewicht half in de lucht, tot ik ophield met duwen. Ik hield op. Ze zakte terug. Ze maakte mijn broek los zonder haast en ondertussen bleef ze praten over Rik, over wat Rik kon zien als hij goed keek, over de kier onderaan de gordijnen waar licht doorkwam. Ze stopte halverwege om te vragen of ik wist hoe de vorige eruitzag toen ze hem hadden gevonden. Ze vertelde het en het was niet mooi. Ik hield mijn ogen op het raam terwijl ze het vertelde.
Het ging snel. De stoel schoof over de tegels en ze hield zich vast aan mijn schouders en schreeuwde zijn naam, niet de mijne. Achteraf bleef ze nog even zitten, zwaar, met haar voorhoofd tegen het mijne, en haar adem werd trager terwijl de mijne niet bijkwam.
Ze stond op en trok haar jurk recht en pakte de brief van de tafel en vouwde hem weer in drieën, langs de oude plooien, en nam hem mee de trap op.
Ik bleef zitten. De gordijnen waren nog dicht. Door de kier onderaan kwam licht, een streep over de tegels. Ik keek ernaar. Ik durfde niet naar het raam.
“Neem gerust een pistoleetje,” riep ze.
Beste Tony, Haha. Mooie thriller. En een gevaarlijke vrouw. Ik vroeg mij nog af of de vrouw de brief niet toevallig zelf had geschreven, als waarschuwing voor rondneuzende vreemde mannen. Ik had voor jou gehoopt dat er even een uurtje tussen zou zitten... :) Maar verder erg graag gelezen. Mooi be...