
De kabouter vond het lijk op donderdag.
Meneer Geerts lag tussen de tomaten, gezicht naar beneden, broek op zijn enkels. Blauw aangelopen kont in de middagzon. Hartaanval tijdens het schijten, schatte de kabouter. Gebeurde vaker bij oude mannen.
Hij porde met zijn voet tegen het vlees. Koud al. Minstens een dag dood.
Niemand die het wist. Mevrouw Geerts was vorige maand gecrepeerd, de kinderen belden nooit. De kabouter was de enige die hier nog kwam - illegaal, natuurlijk. Vijf euro per week om het onkruid te wieden en de slakken te vergiftigen.
Hij keek naar het huis. Gordijnen dicht. De achterdeur stond open.
Zijn muts jeukte. Hij krabde eronder, voelde de schilferende hoofdhuid. Keek weer naar het lijk. Naar de openstaande deur.
Binnen rook het naar verschaalde koffie en medicijnen. Hij klom op een keukenstoel, opende de kast boven het aanrecht. Drie blikken erwtensoep, rijst, suiker. Hij graaide alles in de juttezak die hij altijd bij zich had.
In de woonkamer vond hij de portemonnee. Tweehonderd euro cash. Hij telde het twee keer, stopte het in zijn klomp.
Boven, in de slaapkamer, lag een trouwring op het nachtkastje. Hij spuugde erop, poetste hem op aan zijn jas. Goud. Misschien dertig euro bij de lommerd.
Terug in de tuin keek hij naar Geerts. Vliegen waren al begonnen. Het zou stinken tegen morgen. Iemand zou bellen. Politie. Ambulance. Hele circus.
De kabouter trok zijn muts dieper over zijn oren. Hij zou hier niet meer terugkomen. Jammer van de vijf euro, maar je moest weten wanneer te vertrekken.
Bij het tuinhek keek hij nog één keer om.
"Bedankt, makker," zei hij.
Toen slenterde hij weg, de zak over zijn schouder, fluitend.