De barman veegde zijn toog voor de derde keer proper. Enkel Stef zat er nog, met een halfvol glas verschraald bier voor hem. Hij zat onderuitgezakt op de kruk, het glas in zijn vuist geklemd. Een koude wind gleed over zijn enkels en in zijn broek tot aan zijn knieën. Iemand schoof de kruk naast hem achteruit. Iets metalig schraapte over de vloer en viel dan.
‘We sluiten binnen vijf minuten.’ De barman wees met zijn duim naar de klok achter hem.
De man zette zich op de kruk, stond dan weer op om zijn broekspijpen glad te strijken. ‘Tijd genoeg.’
Stef ging langzaam rechtop zitten, of toch zo goed als. Zijn hoofd wiebelde heen en weer. Hij nam een grote slok van zijn bier.
De man wreef met zijn wijsvinger over de toog en hield hem daarna vlak voor zijn oog. Hij knikte even en legde dan zijn koffertje zachtjes op de toog. Hij knipte behendig de slotjes open, maar liet het koffertje nog dicht. Zijn adem rook naar snoepjes.
Stef slikte een paar keer. ‘Mag ik een glas water?’ Hij boog zich over de toog om de rest van zijn bier in de gootsteen te gieten.
De barman bleef staan, telkens maar hetzelfde plekje opwrijvend met zijn handdoek, zijn blik sprong heen en weer van Stef naar de man.
‘Doe je koffer maar open.’ Stef sprak snel en scherp. Hij schrok er zelf van.
‘Je wist het nog dus?’ De man leek echt verwonderd. De klok achter de barman tikte trager dan anders.
‘Een glas water.’ Hij tikte met het lege bierglas op de toog zonder de barman aan te kijken. ‘Ja,’ zei hij daarna tegen de man.
‘Wil je dan niet liever nog een biertje?’ Even klonk het alsof de man giechelde. Hij kruiste zijn armen en stak zijn handen onder zijn oksels.
‘Ik heb op deze dag gewacht om te stoppen.’ Hij haalde een zakje kruidenbonbons uit zijn broekzak, schudde er één uit. Hij bood de man er ook één aan. Die zette een stap achteruit. ‘Laat dat water maar.’ Hij stak de bonbon in zijn mond en zoog er hard op.
De barman spoelde het lege glas om en droogde het af. Toen hij zich omdraaide om het glas in het rek te zetten, sloeg de klok het sluitingsuur. De deur klapte dicht. In de houten vloer zat een lange kras van de toog tot aan de deur. Het koffertje lag er nog.